Judith van de Kamp

Judith van de Kamp

judithvandekamp.nl

Judith van de Kamp RSS Feed
 
 
 
 

Judith van de Kamp wint Robbert Dijkgraaf Essayprijs 2016

Judith van de Kamp heeft dinsdagavond in de Stadsschouwburg in Amsterdam de Robbert Dijkgraaf Essayprijs 2016 ontvangen.

Het thema van de essayprijs was De Vonk van de Wetenschap.

Van de Kamp krijgt de prijs voor haar essay Dansen door de Kamer over buitenlandse gezondheidswerkers in Afrika, waarin volgens de jury ’echt duidelijk wordt hoe de vonk tot wetenschap leidt’. “De schrijfster wond zich op over een artikel in de zaterdagkrant en doet nu onderzoek naar precies dat onderwerp. Verontwaardiging als vonk,” aldus het juryrapport.

Van de Kamp kreeg de onderscheiding dinsdag uit handen van de naamgever. De prijs wordt elk jaar op het Gala van de Wetenschap uitgereikt aan de UvA- of HvA-medewerker of -student die het beste essay instuurt.

Vijfde
De Robbert Dijkgraaf Essayprijs is dit jaar voor de vijfde keer uitgereikt. Het is in het leven geroepen door Folia, Het Parool en de UvA naar aanleiding van het afscheid van Robbert Dijkgraaf van de UvA. Later is ook wetenschappelijk tijdschrift New Scientist tot de organisatie toegetreden.

Bron: artikeltje het Parool

Klik hier voor het essay.

Onderzoek in Ghana

Onderzoeksintroductie

In augustus 2006 las ik op de voorpagina van de Volkskrant een artikel dat me dusdanig boeide dat het aanleiding vormde voor mijn afstudeeronderzoek naar de kortstondige inzet van Nederlandse gezondheidswerkers in ontwikkelingslanden. Ik verrichtte het onderzoek in het kader van de masteropleiding Medische Antropologie en Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam.

Ik begon mijn onderzoek in september 2006 met het volgen van de discussie die er over het onderwerp binnen de Nederlandse betrokken beroepsgroep gaande was. In februari 2008 ben ik op het onderwerp afgestudeerd. In maart 2008 publiceerde ik mijn resultaten voor het eerst, in het blad MT van de Nederlandse Vereniging voor Tropische Geneeskunde (NVTG). Mede doordat de Volkskrant mijn resultaten in november 2008 op de voorpagina publiceerde, ben ik deel gaan uitmaken van de discussie die me in 2006 al zo boeide en me nog steeds boeit!

Link naar het volledige document in pdf

Aanpakken en wegwezen
Een antropologisch onderzoek naar de kortstondige inzet van Nederlandse gezondheidswerkers in ontwikkelingslanden

Samenvatting

Deze scriptie is tot stand gekomen na uitvoering van een antropologisch onderzoek naar de kortstondige inzet van Nederlandse gezondheidswerkers in ontwikkelingslanden, met name in Afrika. De aanleiding voor het onderzoek was de media-aandacht voor de nadelen van dit soort werk voor de hulpontvangende landen. Om meer inzicht te krijgen in het onderwerp is er gekozen voor de volgende onderzoeksvraag: Hoe ervaren verschillende betrokkenen de kortstondige inzet van Nederlandse gezondheidswerkers in ontwikkelingslanden, met name in Afrika? Er is onderzoek verricht in zowel Nederland als Ghana. Gegevens zijn verzameldmiddels het houden van interviews, het doen van observaties en het voeren van (in)formele gesprekken. De betrokkenen zijn ingedeeld in drie groepen.

De eerste groep bestaat uit Nederlandse langdurige gezondheidswerkers die langer dan een jaar achtereenvolgens in een ontwikkelingsland gewerkt hebben. Zij spreken zeer verschillend over de inzet van Nederlandse kortstondige gezondheidswerkers. Sommige van hen zijn er zeer sceptisch over en geven redenen die te maken hebben met de persoonlijke motieven, hun doel, houding en manier van werken. De belangrijkste bezwaren zijn dat kortstondige gezondheidswerkers door gebrek aan ervaring en kennis (en daardoor onbegrip) van de lokale situatie, taal en gewoonten niet in staat zijn de risico’s van hun medisch handelen in te schatten en niet genoeg samenwerken met lokaal personeel. Er worden ook voordelen genoemd, zowel voor het ontwikkelingsland als voor de gezondheidswerker zelf. Voor het ontwikkelingsland is kortstondige medische inzet een middel om tijdelijk het tekort aan lokaal zorgpersoneel te compenseren. Voor de gezondheidswerker zelf is het een leerzame ervaring en kan het interesse aanwakkeren voor het tropenvak.

De tweede groep bestaat uit Nederlandse kortstondige gezondheidswerkers die korter dan een jaar in een ontwikkelingsland gewerkt hebben, vaak een paar weken, soms een paarmaanden. Ook zij spreken heel verschillend over hun werk en de keuze daarvoor. Opvallend is dat de overgrote meerderheid werkervaring in een ontwikkelingsland heeft en daardoor niet geheel onervaren is. Sommigen zijn goed op de hoogte van de lokale situatie, anderen totaal niet. Ze worden allen slecht geïnformeerd door de organisaties die hen uitzendt.De meeste kortstondige gezondheidswerkers vergelijken de impact van hun werk met een druppel op een gloeiende plaat. De reden voor een kort werkbezoek is vaak zuiver praktisch van aard: men kan of wil niet lang van werk en gezin verwijderd zijn. Avontuur, nieuwsgierigheid en solidariteit spelen de belangrijkste rol bij de keuze om te gaan.

De derde groep bestaat uit lokale gezondheidswerkers in Ghana die werken in ziekenhuizen die door Nederlandse kortstondige gezondheidswerkers bezocht worden. Voor hen lijkt de mate waarin zij de inzet van kortstondige gezondheidswerkers waarderen, af te hangen van in hoeverre er (door de directie van het ziekenhuis) van tevoren met hen gecommuniceerd wordt over wie er komen, wanneer, hoe lang en wat zij komen doen. Wat ook een rol speelt is of er tijdens het bezoek van de kortstondige gezondheidswerkers) met hen wordt overlegd. Dit gebeurt niet altijd. Het niet vragen of luisteren naar de wensen en behoeften vanuit hulpontvangende ziekenhuizen heeft tot gevolg dat buitenlandse gezondheidswerkers worden ingezet waar zij niet nodig zijn, gevoelens van onvrede bij lokale gezondheidswerkers worden veroorzaakt en ziekenhuizen opdraaien voor kosten zoals accommodatie, vervoer en voedsel voor de buitenlandse gezondheidswerkers) die zij niet hebben.

Een antropologische analyse van de onderzoeksbevindingen levert op dat de interpretaties van de ervaringen van de drie groepen betrokkenen in hoge mate afhankelijk zijn van de omstandigheden en cultuur waarin deze mensen zich bevinden. Nederlandse kortstondige medische hulp aan ontwikkelingslanden kan efficiënter worden ingezet door uitdrukkelijk tegemoet te komen aan de bezwaren en suggesties van de Nederlandse langdurige en lokale gezondheidswerkers én de behoeften van de Nederlandse kortstondige gezondheidswerkers. Vraaggestuurde hulp is wellicht de beste methode om dit te realiseren. De verschillen in omstandigheden en cultuur vormen dan de minste kans op problemen omdat het kortstondige werk van de Nederlandse gezondheidswerkers volledig binnen de kaders van de lokale structuur en cultuur plaatsvindt.

Media-aandacht

KRANTEN EN ONLINE MEDIA

RADIO

De Nederlandse medische tropenopleiding

C.L. van den Burg, schrijver van het leerboek ‘De geneesheer in Indië’ drong eind negentiende eeuw aan op een aparte cursus voor naar Indië vertrekkende artsen (Van Bergen, 2007, p. 45). Ook hoogleraar B.J. Stokvis vond in deze tijd dat een opleiding in het belang van gezondheid in de koloniën noodzakelijk was:

De naar de Oost en de West vertrekkende artsen waren ‘onvoldoende voorbereid’, ‘niet bekend met de taal der inlander’, ‘nauwelijks op de hoogte dermaatschappelijke toestanden’ en ‘ternauwernood ingelicht omtrent de eigenaardigheden van het klimaat, van de ziekten, van de geneesmiddelen, waarmede zij in de koloniën dagelijks zullen te doen hebben’. Veel daarvan zouden zij weliswaar in de praktijk leren, sterker: veel daarvan konden zij, zoals in elk medisch specialisme, niet anders dan in de praktijk leren. Maar
dat nam niet weg dat de voorbereiding op de praktijk onder de maat was. (Van Bergen,
2007, p. 46)

H.F.A. Pepers vergeleek de tropengeneeskunde in 1902 met het leren van Frans: men leert deze taal het beste door een tijd naar Frankrijk te gaan, maar het van tevoren opbouwen van een woordenschat en grammatica zal het leren ten goede komen. De kennis van de harde praktijk zal dan makkelijker en beter kunnen worden verwerkt.

Een aantal discussies volgden, eerst over de vraag of de opleiding moest worden geboden in
Nederland of Indië. Toen uiteindelijk gekozen werd voor Nederland werd er gediscussieerd over Amsterdam of Leiden. Het leidde tot twee instituten die later zijn gaan samenwerken (Van Bergen, 2007, p. 46–62).

De Nederlandse tropenopleiding zoals in de huidige vorm is in 1963 opgezet door de Nederlandse Vereniging voor Tropische Geneeskunde en Internationale Gezondheidszorg (NVTG) en is bedoeld voor basisartsen die in lage- en middeninkomenlanden willen werken (NVTG, 2007a). De
opleiding bestaat uit studiedagen en twee jaar klinische stages op het gebied van chirurgie en obstetrie, gynaecologie of kindergeneeskunde bijmaatschappen in Nederlandse ziekenhuizen met erkende tropenervaring. Na twee jaar stages wordt de Nederlandse tropencursus (NTC, voorheen NTA) gevolgd. Binnen het kader van de tropenopleiding is de NTC een programmaonderdeel, maar de cursus staat op zichzelf en wordt georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit en het Koninklijk Instituut voor de Tropen. De cursus duurt drie maanden en is modulair opgebouwd (NVTG, 2007a).

Om tegemoet te komen aan de nieuwe wensen (ondersteunende artsen in plaats van curatief
georiënteerde artsen), paste de opleidingscommissie de inhoud van de tropenopleiding aan. Tot op heden is de opleiding inhoudelijk in beweging en speelt zij in op de veranderende behoeften. In lijn met het huidige overheidsbeleid beslaat de huidige tropenopleiding niet alleen het klinische werk, maar stoomt ook artsen klaar voor het opleiden van clinici, het managen van ziekenhuizen en het geven van voorlichting op allerlei medische gebieden (Beltman en de Graaf, 2006).

Geschiedenis van de Nederlandse medische inzet in ontwikkelingslanden

De eerste westerse gezondheidswerkers die in de tropen gingen werken, bedreven tropische geneeskunde ter ondersteuning en versterking van het koloniale systeem. Nederland was hier geen uitzondering in. De meeste Nederlandse gezondheidswerkers werkten in voormalig Nederlands Indië. Uitzendingen duurden minstens vier jaar, maar veel gezondheidswerkers bleven wel tien tot twintig jaar (Van Bergen, 2007, p. 11). De medische zorg richtte zich in die tijd geheel op het bestrijden en voorkomen van ziekten. Het bestrijden van onderliggende oorzaken van die ziekten – zoals armoede en overbevolking – werd niet tot het domein van de arts gerekend.

In 1960 ging de archipel ‘dicht’ voor Nederland. De zoektocht naar een nieuwe invulling van
het vak leidde tot uitzending naar alle werelddelen, waaronder Afrika (Van Bergen, 2007, p. 12). Artsen (tropenartsen) werden uitgezonden in dienst van de overheid (DGIS) en via particuliere missie- en zendingsorganisaties als Medicus Mundi en Memisa. Mensen die via dit soort organisaties werden uitgezonden werden vaak gesubsidieerd door Personele Samenwerking met Ontwikkelingslanden (PSO). Er ontstond vrij veel belangstelling voor medische ontwikkelingshulp, met name onder medische studenten (Van Bergen, 2007, p. 123). Het oogmerk van de uitzendingen was om de zojuist onafhankelijk geworden landen in vooral zuidelijk Afrika compensatie te bieden voor het vertrek van de westerse artsen uit de koloniale periode. De uitzendingen waren dan ook bedoeld als tijdelijk. Lokale gezondheidswerkers zouden het werk na een aantal jaar overnemen (IGO, 1991, p. 39–43).

De tijdelijke aard van de uitzendingen bleek relatief. Dertig jaar later, onder toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking Pronk, werkten er nog steeds Nederlandse tropenartsen in ontwikkelingslanden, uitgezonden via zowel particuliere organisaties als de overheid . Wel is eind jaren zeventig de aanpak enorm veranderd. Er kwam namelijk kritiek op de manier waarop gezondheidswerkers werden ingezet, zowel vanuit wetenschappelijke hoek als vanuit de ontwikkelingssector zelf. Men zag in dat ziekte en dood net zo sterk beïnvloed werden door sociaal-economische omstandigheden als door afwezige of gebrekkige gezondheidszorg.

In 1979 werd op de International Conference on Primary Health Care het Alma-Ata-verdrag (WHO, 1978) onderschreven door alle lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie. Met het verdrag werd aandacht en actie gevraagd met betrekking tot het promoten, verbeteren en beschermen van gezondheid wereldwijd. Niet alleen overheden, NGO’s en gezondheidswerkers werden nu op hun verantwoordelijkheden gewezen, maar ook, en zelfs voorál, de burgers in de betreffende landen zelf. Dit idee heet Primary Health Care. Door deze nieuwe aanpak veranderde ook het gewenste profiel van de Nederlandse tropenarts. In plaats van de traditionele, curatief georiënteerde arts wilde men liever een arts die op medisch gebied ondersteunend te werk ging en daarnaast voorlichting gaf (Hoebink en van der Velden, 2001, p. 77–78).

In de loop van de jaren tachtig groeide de scepsis. Het inzicht groeide dat hulp de armen passief en afhankelijk maakt en dat het geen zin heeft om een land ‘van buitenaf ’ iets op te dringen. Toch was Pronk voorstander van de Nederlandse medische inzet in ontwikkelingslanden. In 1998 zei hij: “Het uitzenden van Nederlandse artsen en andere experts naar ontwikkelingslanden past in ons beleid de zorgkwaliteit te bewaken en te verbeteren”. Pronk ging er van uit dat Nederlanders in ontwikkelingslanden ook in de (nabije) toekomst nodig waren:

We weten nog niet exact wie of wat er nodig zal zijn in de toekomst. Het is immers ons
beleid experts in te schakelen die beantwoorden aan de behoe en van de ontwikkelingslanden. Het is niet erg waarschijnlijk dat deze behoeften in de nabije toekomst zullen verdwijnen. Welke hulp noodzakelijk is, zal grotendeels afhangen van de ontwikkelingen in de ontwikkelingslanden zelf. (Pronk, 1998)

Na deze woorden is het opvallend hoe snel en drastisch het beleid is veranderd.Herfkens namde functie als minister van ontwikkelingssamenwerking van Pronk over en eind jaren negentig benadrukte ze het belang van ownership: hulpontvangende ontwikkelingslanden moeten zélf het ontwikkelingsbeleid bepalen en de verantwoordelijkheid dragen voor de uitvoering en verantwoording ervan (Bodelier en Vossen, 2007b, p. 80). In 2000 zei Herfkens in een toespraak, sterk contrasterend met de ideeën van haar voorganger, dat het uitzenden van deskundigen niet genoeg heeft  bijgedragen aan het vermogen van arme landen om op eigen benen te staan.

Ik vind dat we te makkelijk hebben gekozen – en kiezen – voor het langdurig uitzenden        van deskundigen.We hebben ons onvoldoende afgevraagd of we zo het probleem helpen
oplossen. (Herfkens, 2007)

Inmiddels heeft de overheid de uitzendingen van tropenartsen stopgezet (De Visser, 2006b). De professionele hulporganisaties zijn wel doorgegaan met het uitzenden van tropenartsen.
De laatste jaren lijkt er een nieuwe groep ontwikkelingswerkers te zijn ontstaan en te groeien
(van onderaf), en heeft in eerste instantie niets te maken met het Nederlandse overheidsbeleid (van bovenaf).

Medische antropologie in een notendop

Medische antropologie is onderdeel van culturele antropologie en spitst zich toe op ziekte, gezondheid en gezondheidszorg. Ziekte wordt overal ter wereld anders gedefinieerd, ervaren en behandeld. Wat wordt verstaan onder ziekte bepaalt de manier van hulp (en genezing) zoeken.

Medisch antropologen doen onderzoek naar de verschillende ideeën en verwachtingen van patiënten
ten opzichte van de arts, ongelijke machtsverhoudingen tussen de arts en de patiënt maar ook tussen de arts en bijvoorbeeld de verpleegkundige. Ook doen zij onderzoek naar de beleving van pijn, naar verschillende percepties van bijvoorbeeld vruchtbaarheid, of het geloof in bovennatuurlijke oorzaken van ziekte.

Veel medisch antropologisch onderzoek wordt uitgevoerd ten behoeve van verbetering van zorgverlening. Door het verworven inzicht kunnen bijvoorbeeld medische behandelingen zodanig worden aangepast dat zij beter aansluiten bij de behoe en van de patiënt.

Een veelgebruikte onderzoeksmethode is participerende observatie, waarbij de onderzoeker zoveel
mogelijk participeert in de dagelijkse activiteiten van zijn of haar onderzoekspopulatie. Het idee hierachter is om bepaalde handelingen en activiteiten te begrijpen, niet vanuit eigen referentiekader, de etic benadering, maar vanuit dat van de onderzoekspopulatie, de emic benadering (Hardon et al., 2001, p. 230). Andere veelgebruikte methoden zijn het afnemen van interviews, het voeren van (in)formele gesprekken, het houden van focusgroepdiscussies en het doen van literatuurstudie.

Populair

  • Geen gevonden

Reacties

Links

Meta